hp-support-head-portlet

Acties
Bezig met laden...
HP klantenondersteuning - kennisdatabase

hp-contact-secondary-navigation-portlet

Acties
Bezig met laden...

hp-share-print-widget-portlet

Acties
Bezig met laden...
  • Informatie
    Meer informatie over upgraden naar Windows 11

    Handleiding over upgraden naar Windows 11.

    Informatie

    Los het updateprobleem van Windows 10 op een HP computer of printer op. Klik hier

  • Feedback

hp-concentra-wrapper-portlet

Acties
Bezig met laden...

HP LaserJet Enterprise, HP PageWide Enterprise - Scannen naar netwerkmap instellen

Informatie over het instellen van de functie voor scannen naar een netwerkmap.

Opmerking:

De stappen zijn afhankelijk van het soort bedieningspaneel.

Bedieningspanelen

Firmwareversie

Bedieningspanelen

FutureSmart 3

FutureSmart 3-bedieningspaneel

FutureSmart 4

FutureSmart 4-bedieningspaneel

FutureSmart 3

Gebruik de volgende stappen voor FutureSmart 3.

Inleiding

Dit document legt uit hoe u de functie voor scannen naar een netwerkmap kunt inschakelen en configureren. De printer heeft een functie om een document te scannen en dit in een netwerkmap op te slaan. Om deze scanfunctie te gebruiken, moet de printer zijn verbonden met een netwerk. De functie is echter niet beschikbaar totdat deze is geconfigureerd. Er zijn twee methoden om scannen naar een netwerkmap te configureren: de Save to Network Folder Quick Set Wizard (Quick Set-wizard Opslaan in netwerkmap) voor basisconfiguratie en Save to Network Folder Setup (Opslaan in netwerkmap instellen) voor geavanceerde configuratie.

Voordat u begint

Controleer de volgende informatie voordat u de functie voor scannen naar een netwerkmap instelt.

Opmerking:

Om de functie Scan to Network Folder (Scannen naar netwerkmap) in te stellen, moet de printer een actieve netwerkverbinding hebben.

Beheerders hebben de volgende gegevens nodig voordat ze met het configuratieproces kunnen beginnen.

  • Beheertoegang tot de printer

  • De volledig gekwalificeerde domeinnaam (FQDN) (bijv. \\servername.us.companyname.net\scans) van de bestemmingsmap OF het IP-adres van de server (bijv. \\16.88.20.20\scans).

    Opmerking:

    In deze context verwijst het begrip "server" naar de computer waarop de gedeelde map zich bevindt.

Opmerking:

De netwerkmap moet worden ingesteld als een gedeelde map om de functie voor scannen naar een netwerkmap te laten werken. Raadpleeg voor meer informatie over het instellen van een gedeelde map Een gedeelde map instellen (c04431534).

Een videodemonstratie weergeven over het instellen van de functie voor scannen naar een netwerk op FutureSmart 3-printers

Opslaan in netwerkmap instellen

Gebruik een van de volgende methoden om opslaan in een netwerkmap in te stellen.

Methode één: de wizard voor opslaan in een netwerkmap gebruiken

Met deze optie opent u de installatiewizard die aanwezig is in de geïntegreerde webserver van HP (EWS) voor de printer. De installatiewizard bevat de opties voor basisconfiguratie.

Opmerking:

Voordat u begint: Raak de knop Netwerk Netwerk aan op het bedieningspaneel van de printer om het IP-adres of de hostnaam van de printer weer te geven.

  1. Klik op het tabblad Scan/Digital Send (Scannen/digitaal verzenden). Het dialoogvenster van de E-mail and Save to Network Folder Quick Setup Wizards (Wizards E-mail en opslaan in netwerkmap snel instellen) wordt geopend.

  2. Klik op de koppeling Save to Network Folder Quick Set Wizard (Quick Set-wizard Opslaan in netwerkmap).

  3. Klik in het dialoogvenster Add or Remove a Save to Network Folder Quick Set (Quick Set voor opslaan in netwerkmap toevoegen of verwijderen) op Add (Toevoegen).

    Opmerking:

    Quick Sets zijn taken die snel kunnen worden gestart vanaf het beginscherm van de printer of in de toepassing Quick Sets.

    Opmerking:

    De functie voor opslaan in een netwerkmap kan minimaal worden geconfigureerd zonder een Quick Set te maken. Zonder een Quick Set moet de gebruiker echter de bestemmingsmap bij elke scantaak opnieuw invoeren op het bedieningspaneel. Een Quick Set is vereist om metagegevens voor het opslaan in een netwerkmap op te nemen.

  4. Voltooi in het dialoogvenster Add Folder Quick Set (Quick Set voor map toevoegen) de volgende handelingen:

    1. Typ in het veld Quick Set Title (Titel Quick Set) een titel.

      Opmerking:

      Geef de Quick Set een naam die gebruikers snel kunnen begrijpen (bijv. "Scannen en opslaan in een map").

    2. Selecteer in het vervolgkeuzemenu Button Location (Locatie knop) een van de volgende opties om aan te geven waar de Quick Set-knop op het bedieningspaneel van het product moet worden weergegeven:

      • Quick Sets Application (Toepassing Quick Sets)

      • Home Screen (Beginscherm)

    3. Typ in het veld Quick Set Description (Beschrijving Quick Set) een beschrijving die uitlegt wat de Quick Set zal opslaan.

    4. Klik op Next (Volgende).

  5. Voltooi in het dialoogvenster Configure Destination Folder (Bestemmingsmap configureren) de volgende handelingen:

    1. Typ in het veld UNC Folder Path (UNC-mappad) een mappad waarin de scan wordt opgeslagen.

      Het mappad kan de volledige gekwalificeerde domeinnaam (FQDN) zijn of het IP-adres van de server. Controleer of het mappad (bijv. \scans) na de FQDN of het IP-adres komt.

      FQDN-voorbeeld: \\servername.us.companyname.net\scans

      Voorbeeld van een IP-adres: \\16.88.20.20\scans

      Opmerking:

      De FQDN is mogelijk betrouwbaarder dan het IP-adres. Als de server het IP-adres via DHCP verkrijgt, kan het IP-adres worden gewijzigd. De verbinding met een IP-adres is echter mogelijk sneller omdat de printer geen DNS hoeft te gebruiken om de bestemmingsserver te vinden.

    2. Selecteer in de vervolgkeuzelijst Authentication Settings (Verificatie-instellingen) een van de volgende opties:

      • Use credentials of user to connect after Sign In at the control panel (Aanmeldgegevens van gebruiker gebruiken om verbinding te maken na aanmelding op het bedieningspaneel)

      • Always use these credentials (Altijd deze aanmeldgegevens gebruiken)

        Opmerking:

        Als Always use these credentials (Altijd deze aanmeldgegevens gebruiken) is geselecteerd, moet een gebruikersnaam en wachtwoord in de bijbehorende velden worden ingevoerd en moet de toegang van de printer tot de map worden gecontroleerd door op Verify Access (Toegang controleren) te klikken.

    3. Typ in het veld Windows Domain (Windows-domein) het Windows-domein.

      Opmerking:

      Om in Windows 7 het Windows-domein te vinden, klikt u op Start, Control Panel (Configuratiescherm) en klik vervolgens op System (Systeem).

      Om in Windows 8 het Windows-domein te vinden, klikt u op Search (Zoeken), voert u in het zoekvak System (Systeem) in en klikt u vervolgens op System (Systeem).

      Het domein wordt vermeld onder Computer name, domain, and workgroup settings (Instellingen voor computernaam, domein en werkgroep).

    4. Klik op Next (Volgende).

  6. Stel in het dialoogvenster Configure File Scan Settings (Instellingen voor bestandsscans configureren) de standaardscanvoorkeuren voor de Quick Set in en klik vervolgens op Next (Volgende).

  7. Controleer het dialoogvenster Summary (Overzicht) en klik vervolgens op Finish (Voltooien).

  8. Controleer in het dialoogvenster Save to Network Folder Setup (Opslaan in netwerkmap instellen) de geselecteerde instellingen en klik vervolgens op Finish (Voltooien) om de installatie te voltooien.

Methode twee: Opslaan in netwerkmap instellen gebruiken

Met deze optie kunt u de geavanceerde instellingen van de functie Opslaan in netwerkmap configureren met de geïntegreerde webserver van HP (EWS) van de printer.

Opmerking:

Voordat u begint: Raak de knop Netwerk aan op het bedieningspaneel van de printer om het IP-adres of de hostnaam van de printer weer te geven.

Stap één: De configuratie starten

Gebruik de volgende stappen om te starten met het instellen van Save to Network Folder Setup (Opslaan in netwerkmap instellen).

  1. Klik op het tabblad Scan/Digital Send (Scannen/digitaal verzenden).

  2. Klik in het linkernavigatiedeelvenster op de koppeling Save to Network Folder Setup (Opslaan in netwerkmap instellen).

Stap twee: De instellingen voor opslaan in een netwerkmap configureren

Configureer de instellingen voor opslaan in een netwerkmap als volgt.

De Quick Set-wizard starten

Gebruik de volgende stappen om te navigeren naar de Quick Set-wizard en deze te starten.

  1. Schakel in het dialoogvenster Save to Network Folder Setup (Opslaan in netwerkmap instellen) het selectievakje Enable Save to Network Folder (Opslaan in netwerkmap inschakelen) in. Als dit selectievakje niet is ingeschakeld, is de functie niet beschikbaar op het bedieningspaneel van de printer.

  2. Klik in het gebied Quick Sets op Add (Toevoegen). De Quick Set-wizard wordt geopend.

    Opmerking:

    Quick Sets zijn taken die snel kunnen worden gestart vanaf het beginscherm van de printer of in de toepassing Quick Sets.

    Opmerking:

    De functie Save to Network Folder (Opslaan in netwerkmap) kan minimaal worden geconfigureerd zonder een Quick Set te maken. Zonder een Quick Set moet de gebruiker echter de bestemmingsmap bij elke scantaak opnieuw invoeren op het bedieningspaneel. Een Quick Set is vereist om metagegevens voor het opslaan in een netwerkmap op te nemen.

Vul alle dialoogvensters van de Quick Set-wizard in om de functie voor opslaan in een netwerkmap volledig te configureren.

Dialoogvenster één: Stel de knoplocatie voor de Quick Set en de opties voor gebruikersinteractie op het bedieningspaneel in

Gebruik dit dialoogvenster om te configureren waar de knop Quick Set wordt weergegeven op het bedieningspaneel van de printer en om de mate van gebruikersinteractie op het bedieningspaneel van de printer te configureren.

  1. Typ in het veld Quick Set Title (Titel Quick Set) een titel.

    Opmerking:

    Geef de Quick Set een naam die gebruikers snel kunnen begrijpen (bijv. "Scannen en opslaan in een map").

  2. Selecteer in de lijst Button Location (Locatie knop) een van de volgende opties om aan te geven waar de knop Quick Set op het bedieningspaneel van het product moet worden weergegeven:

    • Quick Sets Application (Toepassing Quick Sets)

    • Home Screen (Beginscherm)

  3. Typ in het veld Quick Set Description (Beschrijving Quick Set) een beschrijving die uitlegt wat de Quick Set zal opslaan.

  4. Selecteer in de lijst Quick Set Start Option (Startoptie voor de Quick Set) een van de volgende opties:

    • Optie één: Enter application, then user presses Start (Toepassing openen, daarna drukt de gebruiker op Start)

    • Optie twee: Start instantly upon selection (Direct starten na selectie)

      Selecteer onder Original Sides Prompt (Vragen naar originele zijden) een van de volgende opties:

      • Use application default (Standaardinstelling van toepassing gebruiken)

      • Prompt for original sides (Vragen naar originele zijden)

      Opmerking:

      Als Start instantly upon selection (Direct starten na selectie) is geselecteerd, moet de bestemmingsmap bij de volgende stap worden ingevoerd.

  5. Klik op Next (Volgende).

Dialoogvenster twee: Mapinstellingen

Gebruik het dialoogvenster Mapinstellingen om de mapsoorten in te stellen waarnaar de printer de gescande documenten moet verzenden.

Er zijn twee soorten bestemmingsmappen waaruit u kunt kiezen:

  • Gedeelde mappen of FTP-mappen

  • Persoonlijke gedeelde mappen

Er zijn twee soorten mapmachtigingen waaruit u kunt kiezen:

  • Lees- en schrijftoegang

  • Alleen schrijftoegang

De volgende informatie beschrijft hoe u de mapinstellingen kunt configureren.

Voorbeeld van het dialoogvenster Mapinstellingen
De bestemmingsmap voor gescande documenten configureren

Gebruik een van de volgende opties om de bestemmingsmap te configureren.

Optie 1: Gedeelde mappen of FTP-mappen

Voer de volgende stappen uit om gescande documenten op te slaan in gedeelde mappen of FTP-mappen.

  1. Selecteer Save to shared folders or FTP folders (Opslaan in gedeelde mappen of FTP-mappen).

  2. Klik op Add... (Toevoegen...). Het dialoogvenster Add Network Folder Path (Netwerkmappad toevoegen) wordt geopend.

  3. Selecteer in het dialoogvenster Add Network Folder Path (Netwerkmappad toevoegen) een van de volgende opties:

    • Optie één: Opslaan in een standaard gedeelde netwerkmap

      Voorbeeld van de velden voor opslaan in een standaard gedeelde netwerkmap
      Opmerking:

      Raadpleeg voor meer informatie over het maken van gedeelde netwerkmappen Een gedeelde map instellen (c04431534).

      1. Selecteer Save to a standard shared network folder (Opslaan in standaard gedeelde netwerkmap).

      2. Typ in het veld UNC Folder Path (UNC-mappad) een mappad.

        Het mappad kan de volledige gekwalificeerde domeinnaam (FQDN) zijn of het IP-adres van de server. Controleer of het mappad (bijv. \scans) na de FQDN of het IP-adres komt.

        FQDN-voorbeeld: \\servername.us.companyname.net\scans

        Voorbeeld van een IP-adres: \\16.88.20.20\scans

        Opmerking:

        De FQDN is mogelijk betrouwbaarder dan het IP-adres. Als de server het IP-adres via DHCP verkrijgt, kan het IP-adres worden gewijzigd. De verbinding met een IP-adres is echter mogelijk sneller omdat de printer geen DNS hoeft te gebruiken om de bestemmingsserver te vinden.

      3. Om in de bestemmingsmap automatisch een submap voor gescande documenten te maken, selecteert u in de lijst Custom Subfolder (Aangepaste submap) een notatie voor de naam van de submap.

        Om toegang tot de submap te beperken tot de gebruiker die de scantaak heeft gemaakt, selecteert u Restrict subfolder access to user (Toegang tot submap beperken tot gebruiker).

      4. Om het volledige mappad voor gescande documenten weer te geven, klikt u op Update Preview (Voorbeeld bijwerken).

      5. Selecteer in de lijst Authentication Settings (Verificatie-instellingen) een van de volgende opties:

        • Use credentials of user to connect after Sign In at the control panel (Aanmeldgegevens van gebruiker gebruiken om verbinding te maken na aanmelding op het bedieningspaneel)

        • Always use these credentials (Altijd deze aanmeldgegevens gebruiken)

          Opmerking:

          Als Always use these credentials (Altijd deze aanmeldgegevens gebruiken) is geselecteerd, moet een gebruikersnaam en wachtwoord in de bijbehorende velden worden ingevoerd.

      6. Typ in het veld Windows Domain (Windows-domein) het Windows-domein.

        Opmerking:

        Om in Windows 7 het Windows-domein te vinden, klikt u op Start, Control Panel (Configuratiescherm) en klik vervolgens op System (Systeem).

        Om in Windows 8 het Windows-domein te vinden, klikt u op Search (Zoeken), voert u in het zoekvak System (Systeem) in en klikt u vervolgens op System (Systeem).

        Het domein wordt vermeld onder Computer name, domain, and workgroup settings (Instellingen voor computernaam, domein en werkgroep).

        Opmerking:

        Als een gedeelde map is opengesteld voor iedereen, moeten de waarden voor de werkgroepnaam (standaard is "Werkgroep"), een gebruikersnaam en een wachtwoord in de bijbehorende velden worden ingevoerd. Als de map echter in een map van een individuele gebruiker staat en niet openbaar is, moet de gebruikersnaam en het wachtwoord van die gebruiker worden gebruikt.

        Opmerking:

        Een IP-adres kan noodzakelijk zijn in plaats van een computernaam. Vele thuisrouters verwerken computernamen niet altijd adequaat en er is geen domeinnaamserver (DNS). In dit geval kunt u het best een statisch IP-adres instellen op de gedeelde pc om het probleem dat DHCP een nieuw IP-adres toewijst te verlichten. Op een gebruikelijke thuisrouter kan dit worden gedaan door een statisch IP-adres in te stellen dat op hetzelfde subnet is, maar buiten het DHCP-adresbereik.

      7. Klik op OK.

    • Optie twee: Opslaan op een FTP-server

      Voorbeeld van de velden voor opslaan op een FTP-server
      Opmerking:

      Als een FTP-site buiten de firewall is, moet een proxyserver worden opgegeven onder de netwerkinstellingen. Deze instellingen zijn aanwezig in het tabblad EWS Networking (EWS-netwerk), onder de opties Advanced (Geavanceerd).

      1. Selecteer Save to an FTP Server (Opslaan op een FTP-server).

      2. Typ in het veld FTP Server (FTP-server) de naam of het IP-adres van de FTP-server.

      3. Typ in het veld Port (Poort) het poortnummer.

        Opmerking:

        In de meeste gevallen hoeft het standaardpoortnummer niet te worden gewijzigd.

      4. Om in de bestemmingsmap automatisch een submap voor gescande documenten te maken, selecteert u in de lijst Custom Subfolder (Aangepaste submap) een notatie voor de naam van de submap.

      5. Om het volledige mappad voor gescande documenten weer te geven, klikt u op Update Preview (Voorbeeld bijwerken).

      6. Selecteer in de lijst FTP Transfer Mode (FTP-overdrachtsmodus) een van de volgende opties:

        • Passive (Passief)

        • Actief

      7. Typ in het veld Username (Gebruikersnaam) de gebruikersnaam.

      8. Typ in het veld Password (Wachtwoord) het wachtwoord.

      9. Klik op Verify Access (Toegang controleren) om te bevestigen of de bestemming toegankelijk is.

      10. Klik op OK.

Optie 2: Persoonlijke gedeelde mappen

Om gescande documenten in een persoonlijke gedeelde map op te slaan, voert u de volgende stappen uit:

Opmerking:

Deze mogelijkheid wordt gebruikt in domeinomgevingen waarin de beheerder een gedeelde map voor iedere gebruiker configureert. Als de functie Opslaan in een persoonlijke gedeelde map is geconfigureerd, worden gebruikers gevraagd zich op het bedieningspaneel van de printer aan te melden met hun Windows-aanmeldgegevens of LDAP-verificatie.

  1. Selecteer Opslaan in een persoonlijke gedeelde map.

  2. Typ in het veld Met behulp van dit attribuut de basismap van de apparaatgebruiker ophalen de basismap van gebruiker in Microsoft Active Directory.

    Opmerking:

    Bepaal of de gebruiker weet waar deze beginmap op het netwerk gevonden kan worden.

  3. Om een submap met de gebruikersnaam aan het einde van het mappad toe te voegen, selecteert u Submap maken op basis van gebruikersnaam.

    Om toegang tot de submap te beperken tot de gebruiker die de scantaak heeft gemaakt, selecteert u Toegang tot submap beperken tot gebruiker.

De bestemmingsmapmachtigingen selecteren

Gebruik een van de volgende opties om de bestemmingsmapmachtigingen te selecteren.

Optie 1: Lees- en schrijftoegang

Om gescande documenten naar een map met lees- en schrijftoegang te verzenden, voert u de volgende stappen uit:

Opmerking:

Send only to folders with read and write access (Alleen naar mappen met lees- en schrijftoegang verzenden) biedt ondersteuning voor mapverificatie en taakmeldingen

  1. Selecteer Send only to folders with read and write access (Alleen naar mappen met lees- en schrijftoegang verzenden).

  2. Om ervoor te zorgen dat de printer de maptoegang controleert voordat een scantaak wordt gestart, selecteert u Verify folder access prior to job start (Maptoegang controleren alvorens taken te starten).

    Opmerking:

    Scantaken kunnen sneller worden voltooid als Verify folder access prior to job start (Maptoegang controleren alvorens taken te starten) niet is geselecteerd; als de map echter niet beschikbaar is, mislukt de scantaak.

  3. Klik op Next (Volgende).

Optie 2: Alleen schrijftoegang

Om gescande documenten naar een map met alleen schrijftoegang te verzenden, voert u de volgende stappen uit:

Opmerking:

Verzenden naar mappen met alleen schrijftoegang toestaan biedt geen ondersteuning voor mapverificatie of taakmeldingen

Opmerking:

Als deze optie is geselecteerd, kan de printer de bestandsnaam van de scan niet vermeerderen. Het zend de zelfde bestandsnaam voor alle scans.

Kies een tijd-gerelateerd voor- of achtervoegsel bij de bestandsnaam van de scan, zodat iedere scan wordt opgeslagen als een uniek bestand en eerdere bestanden zodoende niet worden overschreven. Deze bestandsnaam wordt bepaald met de informatie in het dialoogvenster Bestandsinstellingen in de Quick Set-wizard.

  1. Selecteer Verzenden naar mappen met alleen schrijftoegang toestaan.

  2. Klik op Next (Volgende).

Dialoogvenster drie: Notification settings (Meldingsinstellingen)

Informatie over het configureren van meldingsinstellingen.

  1. Voer in het dialoogvenster Notification Settings (Meldingsinstellingen) een van de volgende taken uit:

    Opmerking:

    Om e-mailmeldingen te verzenden, moet de printer worden ingesteld voor gebruik van een SMTP-server voor het verzenden van e-mailtaken. Raadpleeg Scannen naar e-mail instellen (c05523998) voor meer informatie over het instellen van een SMTP-server voor het verzenden van e-mails.

    • Optie één: Do not notify (Geen melding)

      1. Selecteer Do not notify (Geen melding).

      2. Om de gebruiker te vragen de meldingsinstellingen te controleren, selecteert u Prompt user prior to job start (Vragen alvorens een taak te starten) en klikt u vervolgens op Next (Volgende).

    • Optie twee: Notify when job completes (Melden als taak is voltooid)

      1. Selecteer Notify when job completes (Melden als taak is voltooid).

      2. Selecteer in de lijst Method Used to Deliver Notification (Methode voor afgeven van melding) de methode voor het afgeven van de melding.

        Als de geselecteerde meldingsmethode E-mail (E-mailen) is, typt u in het veld Notification E-mail Address (E-mailadres voor meldingen) het e-mailadres.

      3. Om een miniatuur van de eerste gescande pagina in de melding op te nemen, selecteert u Include Thumbnail (Inclusief miniatuur).

      4. Om de gebruiker te vragen de meldingsinstellingen te controleren, selecteert u Prompt user prior to job start (Vragen alvorens een taak te starten) en klikt u vervolgens op Next (Volgende).

    • Optie drie: Notify only if job fails (Alleen mislukte taken melden)

      1. Selecteer Notify only if job fails (Alleen mislukte taken melden).

      2. Selecteer in de lijst Method Used to Deliver Notification (Methode voor afgeven van melding) de methode voor het afgeven van de melding.

        Als de geselecteerde meldingsmethode E-mail (E-mailen) is, typt u in het veld Notification E-mail Address (E-mailadres voor meldingen) het e-mailadres.

      3. Om een miniatuur van de eerste gescande pagina in de melding op te nemen, selecteert u Include Thumbnail (Inclusief miniatuur).

      4. Om de gebruiker te vragen de meldingsinstellingen te controleren, selecteert u Prompt user prior to job start (Vragen alvorens een taak te starten) en klikt u vervolgens op Next (Volgende).

Dialoogvenster vier: Scan Settings (Scaninstellingen)

Informatie over de scaninstellingen.

Stel in het dialoogvenster Scan Settings (Scaninstellingen) de standaardscanvoorkeuren voor de Quick Set in en klik vervolgens op Next (Volgende).

Scaninstellingen en omschrijvingen

Functie

Omschrijving

Original Size (Formaat origineel)

Selecteer het paginaformaat van het originele document.

Original Sides (Zijden origineel)

Selecteer of het originele document enkel- of dubbelzijdig is.

Optimize Text/Picture (Tekst/afbeelding optimaliseren)

Selecteer deze optie om de uitvoer van een bepaald soort inhoud te optimaliseren of selecteer Manually adjust (Handmatig aanpassen).

Optimize For (Optimaliseren voor)

Deze instelling is alleen beschikbaar als Optimize Text/Picture (Tekst/afbeelding optimaliseren) is ingesteld op Manually adjust (Handmatig aanpassen). Selecteer een waarde voor handmatig aanpassen.

Content Orientation (Afdrukstand inhoud)

Selecteer de manier waarop de inhoud van het originele document op de pagina is geplaatst: Portrait (Staand) of Landscape (Liggend) of selecteer Automatically detect (Automatisch detecteren).

2–Sided Format (Dubbelzijdig formaat)

Deze instelling is niet beschikbaar als Content Orientation (Afdrukstand inhoud) is ingesteld op Automatically detect (Automatisch detecteren). Selecteer deze optie om de binding van de pagina op te geven en of de achterzijde van de pagina wel of niet ondersteboven is.

Background Cleanup (Achtergrond opruimen)

Selecteer een waarde om vage beelden of een lichte achtergrondkleur uit de achtergrond te verwijderen.

Darkness (Donkerheid)

Selecteer een waarde om de donkerheid van het bestand aan te passen.

Contrast

Selecteer een waarde om het contrast van het bestand aan te passen.

Sharpness (Scherpte)

Selecteer een waarde om de scherpte van het bestand aan te passen.

Image Preview (Afbeeldingsvoorbeeld)

Selecteer of een voorbeeldweergave van de taak vereist of optioneel is of om deze functie uit te schakelen.

Cropping Options (Bijsnijdopties)

Selecteer of een taak mag worden bijgesneden en de manier waarop dit moet gebeuren.

Job Build (Taak creëren)

Selecteer deze instelling om meerdere sets met originele documenten te combineren tot één e-mailbijlage. Gebruik deze instelling ook om een origineel document te scannen dat uit meer pagina's bestaat dan tegelijkertijd in de documentinvoer passen.

Automatic Tone (Automatische tint)

Selecteer deze instelling om Darkness (Donkerheid), Contrast en Background cleanup (Achtergrond opruimen) in te stellen op automatisch, waardoor deze instellingen niet meer beschikbaar zijn op deze pagina.

Multi-feed Detection (Multi-invoerdetectie)

Selecteer deze instelling om multi-invoerdetectie in te schakelen.

Erase Edges (Randen wissen)

Selecteer deze instelling om de breedte van de te wissen randmarges in millimeters of inches voor de voor- en achterzijde van een taak op te geven.

Dialoogvenster vijf: File Settings (Bestandsinstellingen)

Informatie over de bestandsinstellingen.

Stel in het dialoogvenster File Settings (Bestandsinstellingen) de standaardbestandsinstellingen voor de Quick Set in en klik vervolgens op Next (Volgende).

Bestandsinstellingen en omschrijvingen

Functie

Omschrijving

File Name Prefix (Voorvoegsel voor bestandsnaam)

Stel het standaardvoorvoegsel voor bestandsnamen in dat wordt gebruikt voor bestanden die in een netwerkmap worden opgeslagen.

Default File Name (Standaardbestandsnaam)

Standaardbestandsnaam voor het bestand dat moet worden opgeslagen.

Schakel het selectievakje User editable (Door gebruiker aan te passen) in om ervoor te zorgen dat deze instelling op het bedieningspaneel van de printer kan worden bewerkt.

File Name Suffix (Achtervoegsel voor bestandsnaam)

Stel het standaardachtervoegsel voor bestandsnamen in dat wordt gebruikt voor bestanden die in een netwerkmap worden opgeslagen.

File Number Format (Indeling bestandsnummer)

Selecteer een bestandsnaamindeling voor wanneer een taak in meerdere bestanden wordt gesplitst.

Default File Type (Standaardbestandstype)

Selecteer de bestandsindeling voor het opgeslagen bestand.

Schakel het selectievakje User editable (Door gebruiker aan te passen) in om ervoor te zorgen dat deze instelling op het bedieningspaneel van de printer kan worden bewerkt.

File Name Preview (Voorbeeld bestandsnaam)

Voer een bestandsnaam in en klik vervolgens op de knop Update Preview (Voorbeeld bijwerken).

Default Color Preference (Standaardkleurvoorkeur)

Selecteer of het bestand in zwart-wit of in kleur is.

Default Output Quality (Standaarduitvoerkwaliteit)

Selecteer de kwaliteit voor het bestand. Afbeeldingen met een hogere kwaliteit hebben een grotere bestandsgrootte dan afbeeldingen met een lagere kwaliteit en het duurt langer om deze te verzenden.

Default Resolution (Standaardresolutie)

Stel de resolutie voor het bestand in. Afbeeldingen met een hogere resolutie bestaan uit meer dpi (dots per inch) en geven om die reden meer details weer. Afbeeldingen met een lagere resolutie bestaan uit minder dpi en geven dus minder details weer. De bestandsgrootte is echter kleiner.

Compression (Compressie)

Geef op of het gescande document met normale of hoge compressie als PDF- of XPS-bestand moet worden opgeslagen. Als u de compressie instelt op High (Hoog), is het gescande bestand kleiner maar duurt het scanproces mogelijk langer dan bij normale compressie.

Black TIFF Compression (Compressie zwart-wit-TIFF)

Selecteer het compressiealgoritme zwart-wit-TIFF dat wordt gebruikt voor de compressie van het gegenereerde TIFF-bestand.

Color/Grayscale TIFF Compression (Compressie TIFF in kleur/grijstinten)

Selecteer het compressiealgoritme TIFF in kleur/grijstinten dat wordt gebruikt voor de compressie van het gegenereerde TIFF-bestand.

PDF encryption (PDF-codering)

Als het bestandstype PDF is, wordt met deze optie het PDF-uitvoerbestand gecodeerd. Als onderdeel van de codering moet een wachtwoord worden opgegeven. Hetzelfde wachtwoord moet worden ingevoerd om het bestand te openen. Als er nog geen wachtwoord is opgegeven wanneer op Start wordt gedrukt, wordt de gebruiker gevraagd om voorafgaand aan het scannen van de taak een wachtwoord op te geven.

Disable OCR file types (OCR-bestandstypen uitschakelen)

Selecteer deze instelling om te voorkomen dat OCR-bestandsindelingen op het bedieningspaneel van het product beschikbaar zijn.

Enable Blank Page Suppression (Lege pagina's overslaan)

Als de optie Enable Blank Page Suppress (Lege pagina's overslaan) is ingeschakeld, worden lege pagina's genegeerd.

Dialoogvenster zes: Overzicht

Controleer het overzicht van de instellingen voor scannen naar een netwerk.

Controleer in het dialoogvenster Summary (Overzicht) het dialoogvenster Summary (Overzicht) en klik vervolgens op Finish (Voltooien).

Stap drie: De configuratie voltooien

Voltooi de instellingen voor Save to Network Folder (Opslaan in netwerkmap) als volgt:

  1. Controleer in het dialoogvenster Save to Network Folder (Opslaan in netwerkmap) de geselecteerde instellingen en klik vervolgens op Apply (Toepassen) om de instellingen te voltooien.

FutureSmart 4

Gebruik de volgende stappen voor FutureSmart 4.

Inleiding

Dit document legt uit hoe u de functie voor scannen naar een netwerkmap kunt inschakelen en configureren. De printer heeft een functie om een document te scannen en dit in een netwerkmap op te slaan. Om deze scanfunctie te gebruiken, moet de printer zijn verbonden met een netwerk. De functie is echter niet beschikbaar totdat deze is geconfigureerd.

Er zijn twee methoden om scannen naar een netwerkmap te configureren: de Save to Network Folder Setup Wizard (Wizard Opslaan in netwerkmap instellen) voor basisconfiguratie en Save to Network Folder Setup (Opslaan in netwerkmap instellen) voor geavanceerde configuratie.

Voordat u begint

Zorg dat de volgende items beschikbaar zijn voordat u de functie Scannen naar netwerk instelt.

Opmerking:

Om de functie Scannen naar netwerkmap in te stellen, moet de printer een actieve netwerkverbinding hebben.

Beheerders hebben de volgende gegevens nodig voordat ze met het configuratieproces kunnen beginnen.

  • Beheertoegang tot de printer.

  • De volledig gekwalificeerde domeinnaam (FQDN) (bijv. \\servernaam.us.bedrijfsnaam.net\scans) van de bestemmingsmap OF het IP-adres van de server (bijv. \\16.88.20.20\scans).

    Opmerking:

    In deze context verwijst het begrip 'server' naar de computer waarop de gedeelde map zich bevindt.

Scannen naar netwerkmap instellen

Gebruik een van de volgende methoden om scannen naar een netwerkmap in te stellen.

Methode 1: De wizard Scannen naar netwerkmap gebruiken

Gebruik deze optie voor een basisconfiguratie van de functie Opslaan in netwerkmap met de wizard Scannen naar netwerkmap.

Opmerking:

Voordat u begint: Raak het pictogram Informatie aan om het IP-adres of de hostnaam van de printer weer te geven Informatiepictogramen raak vervolgens het pictogram Netwerk aan Pictogram Netwerk op het bedieningspaneel van de printer.

  1. Klik in de bovenste EWS-navigatietabbladen op het tabblad Scannen/Digitaal verzenden. Het dialoogvenster Wizards E-mail en Scannen naar netwerkmap snel instellen wordt geopend.

  2. Klik in het linkernavigatievenster op Wizards E-mail en Scannen naar netwerkmap snel instellen.

  3. Klik op de koppeling Wizard van de Quick Set voor opslaan in netwerkmap.

  4. Klik in het dialoogvenster Quick Set voor opslaan in netwerkmap toevoegen of verwijderen op Toevoegen.

    Opmerking:

    Quick Sets zijn taken die snel kunnen worden gestart vanaf het beginscherm van de printer of in de toepassing Quick Sets.

    Opmerking:

    De functie Opslaan in netwerkmap kan minimaal worden geconfigureerd zonder een Quick Set te maken. Zonder een Quick Set moet de gebruiker echter de bestemmingsmap bij iedere scantaak opnieuw invoeren in het bedieningspaneel. Een snelinstelling is vereist om metagegevens voor het opslaan naar netwerkmap in te sluiten.

  5. Voltooi in het dialoogvenster Quick Set voor map toevoegen de volgende handelingen:

    1. Typ in het veld Titel Quick Set een titel.

      Opmerking:

      Geef de Quick Set een naam die gebruikers snel kunnen begrijpen (bijv. 'Scannen en opslaan in een map').

    2. Typ in het veld Beschrijving Quick Set een beschrijving die aangeeft wat de Quick Set zal opslaan.

    3. Klik op Next (Volgende).

  6. Voltooi in het dialoogvenster Bestemmingsmap configureren de volgende handelingen:

    1. Typ in het veld UNC-mappad een mappad waarin de scan wordt opgeslagen.

      Het mappad kan de volledige gekwalificeerde domeinnaam (FQDN) zijn of het IP-adres van de server. Controleer of het mappad (bijv. \scans) na de FQDN of het IP-adres komt.

      FQDN-voorbeeld: \\servername.us.companyname.net\scans

      Voorbeeld van een IP-adres: \\16.88.20.20\scans

      Opmerking:

      De FQDN is mogelijkerwijs betrouwbaarder dan het IP-adres. Als de server het IP-adres via DHCP verkrijgt, dan kan het IP-adres veranderen. De verbinding met een IP-adres is echter mogelijk sneller omdat de printer geen DNS hoeft te gebruiken om de bestemmingsserver te vinden.

    2. Selecteer in de vervolgkeuzelijst Verificatie-instellingen een van de volgende opties:

      • Gebruik gebruikersgegevens om verbinding te maken na aanmelding op het bedieningspaneel

      • Altijd deze aanmeldgegevens gebruiken

        Opmerking:

        Als Altijd deze aanmeldgegevens gebruiken is geselecteerd, moet een gebruikersnaam en wachtwoord in de bijbehorende velden worden ingevoerd en moet de toegang van de printer tot de map worden gecontroleerd door op Toegang controleren te klikken.

    3. Typ in het veld Windows-domein het Windows-domein.

      Tip:

      Om in Windows 7 het Windows-domein te vinden, klikt u op Start, Configuratiescherm en vervolgens op Systeem.

      Om in Windows 8 het Windows-domein te vinden, klikt u op Zoeken, voert u in het zoekvak Systeem in en klikt u vervolgens op Systeem.

      Het domein wordt vermeld onder Instellingen voor computernaam, domein en werkgroep.

    4. Klik op Next (Volgende).

  7. Stel in het dialoogvenster Instellingen voor bestandsscans configureren de standaardscanvoorkeuren voor de Quick Set in en klik vervolgens op Volgende.

  8. Bekijk het dialoogvenster Samenvatting en klik vervolgens op Voltooien.

Methode 2: Opslaan in netwerkmap instellen gebruiken

Met deze optie kunt u de geavanceerde instellingen van de functie Opslaan in netwerkmap configureren met de geïntegreerde webserver van HP (EWS) van de printer.

Opmerking:

Voordat u begint: Raak het pictogram Informatie aan om het IP-adres of de hostnaam van de printer weer te geven Informatiepictogramen raak vervolgens het pictogram Netwerk aan Pictogram Netwerk op het bedieningspaneel van de printer.

Stap één: De configuratie starten

Volg de volgende stappen om te starten met de configuratie van Scannen naar netwerkmap.

  1. Klik op het tabblad Scannen/digitaal verzenden.

  2. Klik in het linkernavigatiemenu op Scannen naar netwerkmap instellen.

Stap twee: De instellingen Scannen naar netwerkmap configureren

Volg de volgende procedure om de configuratie van Scannen naar netwerkmap te voltooien.

Stap één: De configuratie starten

Volg de volgende stappen om de configuratie te starten.

  1. Selecteer op de pagina Scannen naar netwerkmap instellen het selectievakje Scannen naar netwerkmap inschakelen. Als dit selectievakje niet is ingeschakeld, is de functie niet beschikbaar op het bedieningspaneel van de printer.

  2. Klik in het gebied Scannen naar netwerkmap van het linkernavigatievenster op Quick Sets. Klik op Toevoegen om het dialoogvenster Quick Sets instellen te openen.

    Opmerking:

    Quick Sets zijn taken die snel kunnen worden gestart vanaf het beginscherm van de printer of in de toepassing Quick Sets.

    Opmerking:

    De functie Scannen naar netwerkmap kan minimaal worden geconfigureerd zonder een Quick Set te maken. Zonder een Quick Set moet de gebruiker echter de bestemmingsmap bij iedere scantaak opnieuw invoeren in het bedieningspaneel. Een Quick Set is vereist om metagegevens voor het scannen naar netwerkmap in te sluiten.

Voltooi alle instellingen van Quick Sets instellen om de functie Scannen naar netwerkmap volledig te configureren.

Dialoogvenster één: Stel de naam en beschrijving van de Quick Set en de opties voor gebruikersinteractie op het bedieningspaneel in.

Stel de Quick Set-details in voor gebruikersinteractie op het bedieningspaneel van de printer.

Gebruik het dialoogvenster De knoplocatie voor de Quick Set en de opties voor gebruikersinteractie op het bedieningspaneel instellen om in te stellen waar de Quick Set-knop op het bedieningspaneel van de printer moet worden weergegeven en om de mate van gebruikersinteractie op het bedieningspaneel de printer in te stellen.

  1. Typ een naam in het veld Naam Quick Set.

    Opmerking:

    Geef de Quick Set een naam die gebruikers snel kunnen begrijpen (bijv. 'Scannen en opslaan in een map').

  2. Typ in het veld Beschrijving Quick Set een beschrijving die aangeeft wat de Quick Set zal opslaan.

  3. Selecteer in de lijst Startoptie voor Quick Sets een van de volgende opties:

    • Optie één: Open toepassing, daarna klikt de gebruiker op Start.

    • Optie twee: Begin onmiddellijk na de selectie.

      Selecteer een van de volgende opties bij de aanwijzing:

      • Vragen naar originele zijden

      • Vragen om extra pagina's

      • Voorbeeldweergave vereisen

      Opmerking:

      Als Onmiddellijk beginnen na selectie is geselecteerd, moet de bestemmingsmap bij de volgende stap worden ingevoerd.

  4. Klik op Next (Volgende).

Dialoogvenster twee: Mapinstellingen

Gebruik het dialoogvenster Mapinstellingen om de mapsoorten in te stellen waarnaar de printer de gescande documenten moet verzenden, en de machtigingen voor de map.

Er zijn twee soorten bestemmingsmappen waaruit u kunt kiezen:

  • Gedeelde mappen of FTP-mappen

  • Persoonlijke gedeelde mappen

Er zijn twee soorten mapmachtigingen waaruit u kunt kiezen:

  • Lees- en schrijftoegang

  • Alleen schrijftoegang

De bestemmingsmap voor gescande documenten configureren

Selecteer een van de volgende opties om een bestemmingsmap in te stellen.

Optie 1: De printer configureren om op te slaan in een gedeelde map of FTP-map

Voer de volgende stappen uit om gescande documenten op te slaan in een standaard gedeelde map of FTP-map.

  1. Selecteer Opslaan in gedeelde mappen of FTP-mappen.

  2. Klik op Toevoegen.... Het dialoogvenster Netwerkmappad toevoegen wordt geopend.

  3. Selecteer in het dialoogvenster Netwerkmappad toevoegen een van de volgende opties:

    • Optie één: Opslaan in een standaard gedeelde netwerkmap.

      Voorbeeld van de velden Opslaan in een standaard gedeelde netwerkmap
      1. Selecteer Opslaan in standaard gedeelde netwerkmap.

      2. Typ in het veld UNC-mappad een mappad.

        Het mappad kan de volledige gekwalificeerde domeinnaam (FQDN) zijn of het IP-adres van de server. Controleer of het mappad (bijv. \scans) na de FQDN of het IP-adres komt.

        FQDN-voorbeeld: \\servername.us.companyname.net\scans

        Voorbeeld van een IP-adres: \\16.88.20.20\scans

        Opmerking:

        De FQDN is mogelijkerwijs betrouwbaarder dan het IP-adres. Als de server het IP-adres via DHCP verkrijgt, dan kan het IP-adres veranderen. De verbinding met een IP-adres is echter mogelijk sneller omdat de printer geen DNS hoeft te gebruiken om de bestemmingsserver te vinden.

      3. Om in de bestemmingsmap automatisch een submap voor gescande documenten te maken, selecteert u in de lijst Aangepaste submap een notatie voor de naam van de submap.

        Om toegang tot de submap te beperken tot de gebruiker die de scantaak heeft gemaakt, selecteert u Toegang tot submap beperken tot gebruiker.

      4. Om het volledige mappad voor gescande documenten weer te geven, klikt u op Voorbeeld bijwerken.

      5. Selecteer in de lijst Verificatie-instellingen een van de volgende opties:

        • Gebruik gebruikersgegevens om verbinding te maken na aanmelding op het bedieningspaneel

        • Altijd deze aanmeldgegevens gebruiken

        Opmerking:

        Als Altijd deze aanmeldgegevens gebruiken is geselecteerd, moet een gebruikersnaam en wachtwoord in de bijbehorende velden worden ingevoerd.

      6. Typ in het veld Windows-domein het Windows-domein.

        Opmerking:

        Om in Windows 7 het Windows-domein te vinden, klikt u op Start, Configuratiescherm en vervolgens op Systeem.

        Om in Windows 8 het Windows-domein te vinden, klikt u op Zoeken, voert u in het zoekvak Systeem in en klikt u vervolgens op Systeem.

        Het domein wordt vermeld onder Instellingen voor computernaam, domein en werkgroep.

        Opmerking:

        Als een gedeelde map is opengesteld voor iedereen, moeten de waarden voor de werkgroepnaam (standaard is 'Werkgroep'), een gebruikersnaam en wachtwoord in de bijbehorende velden worden ingevoerd. Als de map echter in een map van een individuele gebruiker staat en Publiek, moet de gebruikersnaam en het wachtwoord van die gebruiker worden gebruikt.

        Opmerking:

        Een IP-adres kan noodzakelijk zijn in plaats van een pc-naam. Vele thuis-routers verwerken pc-namen niet altijd adequaat en er is geen domeinnaamserver (DNS). In dit geval kunt u het beste een statisch IP-adres instellen op de gedeelde pc om het probleem dat DHCP een nieuw IP-adres toewijst te verlichten. Op een gebruikelijke thuis-router kan dit worden gedaan door een statisch IP-adres in te stellen dat op hetzelfde subnet is, maar buiten de DHCP-adresreeks.

      7. Klik op OK.

    • Optie twee: Opslaan op een FTP-server.

      Voorbeeld van de velden Opslaan op een FTP-Server
      Opmerking:

      Als een FTP-site zich buiten de firewall bevindt, moet er een proxyserver worden opgegeven bij de netwerkinstellingen. Deze instellingen bevinden zich op het tabblad EWS-netwerken, onder de Geavanceerde opties.

      1. Selecteer Opslaan op een FTP-server.

      2. Typ in het veld FTP-server de naam of het IP-adres van de FTP-server.

      3. Typ in het veld Poort het poortnummer.

        Opmerking:

        In de meeste gevallen hoeft het standaardpoortnummer niet te worden gewijzigd.

      4. Om in de bestemmingsmap automatisch een submap voor gescande documenten te maken, selecteert u in de lijst Aangepaste submap een notatie voor de naam van de submap.

      5. Om het volledige mappad voor gescande documenten weer te geven, klikt u op Voorbeeld bijwerken.

      6. Selecteer in de lijst FTP-overdrachtsmodus een van de volgende opties:

        • Passief

        • Actief

      7. Typ in het veld Gebruikersnaam de gebruikersnaam.

      8. Typ in het veld Wachtwoord het wachtwoord.

      9. Klik op Verify Access (Controleer toegang) om na te gaan of de bestemming toegankelijk is.

      10. Klik op OK.

Optie 2: De printer configureren om op te slaan in een persoonlijke gedeelde map

Voer de volgende stappen uit om gescande documenten op te slaan in een persoonlijke gedeelde map.

Opmerking:

Deze mogelijkheid wordt gebruikt in domeinomgevingen waarin de beheerder een gedeelde map voor iedere gebruiker configureert. Als de functie Opslaan in een persoonlijke gedeelde map is geconfigureerd, worden gebruikers gevraagd zich op het bedieningspaneel van de printer aan te melden met hun Windows-aanmeldgegevens of LDAP-verificatie.

  1. Selecteer Opslaan in een persoonlijke gedeelde map.

  2. Typ in het veld Met behulp van dit attribuut de basismap van de apparaatgebruiker ophalen de basismap van gebruiker in Microsoft Active Directory.

    Opmerking:

    Bepaal of de gebruiker weet waar deze beginmap op het netwerk gevonden kan worden.

  3. Om een submap met de gebruikersnaam aan het einde van het mappad toe te voegen, selecteert u Submap maken op basis van gebruikersnaam.

    Om toegang tot de submap te beperken tot de gebruiker die de scantaak heeft gemaakt, selecteert u Toegang tot submap beperken tot gebruiker.

De bestemmingsmapmachtigingen selecteren

Selecteer een van de volgende opties om machtigingen voor bestemmingsmappen in te stellen.

Optie 1: Lees- en schrijftoegang configureren

Om gescande documenten naar een map met lees- en schrijftoegang te verzenden, voert u de volgende stappen uit.

Opmerking:

Alleen naar mappen met lees- en schrijftoegang verzenden biedt ondersteuning voor mapverificatie en taakmeldingen.

  1. Selecteer Alleen naar mappen met lees- en schrijftoegang verzenden.

  2. Om ervoor te zorgen dat de printer de maptoegang controleert voordat een scantaak wordt gestart, selecteert u Maptoegang controleren alvorens taken te starten.

    Opmerking:

    Scantaken kunnen sneller worden voltooid als Maptoegang controleren alvorens taken te starten niet is geselecteerd, maar als de folder niet beschikbaar is, mislukt de scantaak.

  3. Klik op Next (Volgende).

Optie 2: Alleen schrijftoegang configureren

Hoe u gescande documenten naar een map met alleen schrijftoegang verzendt.

Opmerking:

Verzenden naar mappen met alleen schrijftoegang toestaan biedt geen ondersteuning voor mapverificatie of taakmeldingen.

Opmerking:

Als deze optie is geselecteerd, kan de printer de bestandsnaam van de scan niet vermeerderen. Het zend de zelfde bestandsnaam voor alle scans.

Kies een tijd-gerelateerd voor- of achtervoegsel bij de bestandsnaam van de scan, zodat iedere scan wordt opgeslagen als een uniek bestand en eerdere bestanden zodoende niet worden overschreven. Deze bestandsnaam wordt bepaald met de informatie in het dialoogvenster Bestandsinstellingen in de Quick Set-wizard.

  1. Selecteer Verzenden naar mappen met alleen schrijftoegang toestaan.

  2. Klik op Next (Volgende).

Dialoogvenster drie: Instellingen voor meldingen

Gebruik het dialoogvenster Meldingsinstellingen om te configureren wanneer meldingen worden verzonden.

  1. Voer in het dialoogvenster Meldingsinstellingen een van de volgende stappen uit:

    • Optie één: Geen melding.

      1. Selecteer Geen melding.

      2. Om de gebruiker te vragen de meldingsinstellingen te controleren, selecteert u Vragen alvorens een taak te starten en klikt u op Volgende.

    • Optie twee: Melden als taak is voltooid.

      1. Selecteer Bericht bij voltooide taak.

      2. Selecteer in de lijst Methode voor afgeven van melding de methode voor het afgeven van de melding.

        Als de geselecteerde meldingsmethode E-mail is, typt u in het veld E-mailadres voor meldingen het e-mailadres.

      3. Om een miniatuur van de eerste gescande pagina in de melding op te nemen, selecteert u Inclusief miniatuur.

      4. Om de gebruiker te vragen de meldingsinstellingen te controleren, selecteert u Vragen alvorens een taak te starten en klikt u op Volgende.

    • Optie drie: Alleen mislukte taken melden.

      1. Selecteer Alleen mislukte taken melden.

      2. Selecteer in de lijst Methode voor afgeven van melding de methode voor het afgeven van de melding.

        Als de geselecteerde meldingsmethode E-mail is, typt u in het veld E-mailadres voor meldingen het e-mailadres.

      3. Om een miniatuur van de eerste gescande pagina in de melding op te nemen, selecteert u Inclusief miniatuur.

      4. Om de gebruiker te vragen de meldingsinstellingen te controleren, selecteert u Vragen alvorens een taak te starten en klikt u op Volgende.

Dialoogvenster vier: Scaninstellingen

Voltooi de scaninstellingen als volgt.

Stel in het dialoogvenster Scaninstellingen de standaardscanvoorkeuren voor de Quick Set in en klik vervolgens op Volgende.

Scaninstellingen

Functie

Omschrijving

Formaat origineel

Selecteer het paginaformaat van het originele document.

Zijden origineel

Selecteer of het originele document enkel- of dubbelzijdig is.

Tekst/afbeelding optimaliseren

Selecteer deze optie om de uitvoer van een bepaald soort inhoud te optimaliseren.

Afdrukstand inhoud

Selecteer de manier waarop de inhoud van het originele document op de pagina is geplaatst: Staand of Liggend.

Achtergrond opruimen

Selecteer een waarde om vage beelden of een lichte achtergrondkleur uit de achtergrond te verwijderen.

Donkerte

Selecteer een waarde om de donkerheid van het bestand aan te passen.

Contrast

Selecteer een waarde om het contrast van het bestand aan te passen.

Scherpte

Selecteer een waarde om de scherpte van het bestand aan te passen.

Afbeeldingsvoorbeeld

Selecteer of een voorbeeldweergave van de taak vereist of optioneel is of om deze functie uit te schakelen.

bijsnijdopties

Selecteer of een taak bijgesneden mag worden en de manier waarop dit moet gebeuren.

Randen wissen

Selecteer deze instelling om de breedte van de te wissen randmarges in millimeters of inches voor de voor- en achterzijde van een taak op te geven.

Dialoogvenster vijf: Bestandsinstellingen

Voltooi de bestandsinstellingen als volgt.

Stel in het dialoogvenster Bestandsinstellingen de standaardbestandsinstellingen voor de Quick Set in en klik vervolgens op Volgende.

Bestandsinstellingen

Functie

Omschrijving

Voorvoegsel voor bestandsnaam

Stel het standaardvoorvoegsel voor bestandsnamen in dat wordt gebruikt voor bestanden die in een netwerkmap worden opgeslagen.

Bestandsnaam

Standaardbestandsnaam voor het bestand dat moet worden opgeslagen.

Schakel het selectievakje Door gebruiker aan te passen in om ervoor te zorgen dat deze instelling op het bedieningspaneel van de printer kan worden bewerkt.

Achtervoegsel voor bestandsnaam

Stel het standaardachtervoegsel voor bestandsnamen in dat wordt gebruikt voor bestanden die in een netwerkmap worden opgeslagen.

Voorbeeld bestandsnaam

Voer een bestandsnaam in en klik vervolgens op de knop Voorbeeld bijwerken.

Bestandsnummerindeling

Selecteer een bestandsnaamindeling voor wanneer een taak in meerdere bestanden wordt gesplitst.

Nummering toevoegen wanneer een taak slechts één bestand bevat (bijv. _1–1)

Selecteer deze instelling om nummering toe te voegen aan een bestandsnaam als de taak slechts één bestand bevat in plaats van meerdere bestanden.

Bestandstype

Selecteer de bestandsindeling voor het opgeslagen bestand.

Schakel het selectievakje Door gebruiker aan te passen in om ervoor te zorgen dat deze instelling op het bedieningspaneel van de printer kan worden bewerkt.

Hoge compressie (kleiner bestand)

Selecteer deze instelling om het gescande bestand te comprimeren zodat de bestandsgrootte afneemt. Het scanproces voor een bestand met hoge compressie kan echter langer duren dan voor een bestand met normale compressie.

PDF-codering

Als het bestandstype PDF is, wordt met deze optie het PDF-uitvoerbestand gecodeerd. Als onderdeel van de codering moet een wachtwoord worden opgegeven. Hetzelfde wachtwoord moet worden ingevoerd om het bestand te openen. Als er eerder nog geen wachtwoord is opgegeven krijgt u voordat het scannen begint de vraag om een wachtwoord op te geven.

Oplossing

Stel de resolutie van het bestand in. Afbeeldingen met een hogere resolutie bestaan uit meer dpi (dots per inch) en geven om die reden meer details weer. Afbeeldingen met een lagere resolutie bestaan uit minder dpi en geven dus minder details weer. De bestandsgrootte is echter kleiner.

Kwaliteit en bestandsformaat

Selecteer de kwaliteit van het bestand. Afbeeldingen met een hogere kwaliteit hebben een grotere bestandsgrootte dan afbeeldingen met een lagere kwaliteit en het duurt langer om deze te verzenden.

Kleur/zwart

Geef op of kopieën in kleur, zwart en grijstinten of alleen zwart-wit moeten worden afgedrukt.

Lege pagina's onderdrukken

Als de optie Lege pagina' s onderdrukken is ingeschakeld, worden lege pagina's genegeerd.

Bestandsindeling voor metagegevens

Selecteer in de vervolgkeuzelijst de bestandsindeling voor metagegevens.

Meerdere bestanden maken

Selecteer deze instelling om pagina's naar afzonderlijke bestanden te scannen, op basis van een vooraf bepaald maximum aantal pagina's per bestand.

Dialoogvenster zes: Overzicht

Controleer in het dialoogvenster Overzicht het dialoogvenster Overzicht en klik vervolgens op Voltooien.

Stap drie: De configuratie voltooien

Volg de volgende stappen om de configuratie van Scannen naar netwerkmap te voltooien.

  1. Klik in het linkernavigatievenster op Scannen naar netwerkmap.

  2. Controleer op de pagina Scannen naar netwerkmap de geselecteerde instellingen en klik vervolgens op Toepassen om de installatie te voltooien.


hp-feedback-input-portlet

Acties
Bezig met laden...

hp-feedback-banner-portlet

Acties
Bezig met laden...

hp-country-locator-portlet

Acties
Bezig met laden...
Land/regio: Flag Nederland

hp-detect-load-my-device-portlet

Acties
Bezig met laden...