hp-support-head-portlet

Acties
Bezig met laden...
HP klantenondersteuning - kennisdatabase

hp-contact-secondary-navigation-portlet

Acties
Bezig met laden...

hp-share-print-widget-portlet

Acties
Bezig met laden...
  • Informatie
    Meer informatie over upgraden naar Windows 11

    Handleiding over upgraden naar Windows 11.

    Informatie

    Los het updateprobleem van Windows 10 op een HP computer of printer op. Klik hier

  • Feedback

hp-concentra-wrapper-portlet

Acties
Bezig met laden...

HP LaserJet Enterprise, HP PageWide Enterprise - Het adresboek instellen en configureren

Informatie over het instellen en configureren van het adresboek.

Inleiding

Een adresboek is een opgeslagen lijst met veelgebruikte contactpersonen, waarmee u snel kunt kiezen naar welke contactpersoon een document vanaf het bedieningspaneel van de printer moet worden verzonden. Gebruik de pagina Adresboek om de volgende functies van de printer te configureren en in te schakelen:

  • Zoekparameters configureren

  • Individuele contactpersonen of groepen toevoegen

  • Bestaande contactpersonen bewerken

De netwerkcontacten instellen

Gebruik het gebied Network Contacts Setup (Instellingen voor netwerkcontacten) van de pagina Address Book (Adresboek) om netwerkcontacten in te schakelen en om de zoekmethoden voor het zoeken van netwerkcontacten op te geven.

Opmerking:

Voer deze stap uit voordat u opgeslagen contactpersonen op de printer instelt.

De zoekmethode instellen

Gebruik de volgende stappen om de zoekmethode voor netwerkcontacten in te stellen.

  1. Via de bovenste navigatietabbladen klikt u op Scan/Digital Send (Scannen/digitaal verzenden).

  2. Klik in het linkernavigatiedeelvenster op Address Book (Adresboek) of Contacts (Contactpersonen).

  3. Selecteer een zoekmethode:

    • Quick Search (Snel zoeken) (zoeken naar resultaten die beginnen met de zoekstring)

    • Detailed Search (Uitgebreid zoeken) (zoeken naar resultaten die de zoekstring bevatten)

Persoonlijke contacten inschakelen (optioneel)

Gebruik de volgende stappen om persoonlijke contacten in te schakelen.

Krijg toegang tot de persoonlijke contacten van individuele gebruikers via de persoonlijke contactenlijst van hun Microsoft Exchange Server. Deze adressen zijn beschikbaar wanneer de gebruiker zich op het bedieningspaneel van de printer via Windows aanmeldt en vervolgens de adresboekweergave Personal Contacts (Persoonlijke contacten) selecteert.

Opmerking:

Als u problemen ondervindt bij het importeren van adresboeken van nieuwere Microsoft Exchange Servers, neemt u contact op met HP Support voor hulp.

  1. Via de bovenste navigatietabbladen klikt u op Scan/Digital Send (Scannen/digitaal verzenden).

  2. Klik in het linkernavigatiedeelvenster op Address Book (Adresboek) of Contacts (Contactpersonen).

  3. Schakel het selectievakje Enable Personal Contacts (when users sign in to Windows at the device) (Persoonlijke contacten inschakelen (wanneer gebruikers zich bij het apparaat aanmelden bij Windows)) in.

  4. Klik op de knop Test Exchange Server (Exchange Server testen) om de verbinding met de Microsoft Exchange Server te testen.

    1. Windows Domain (Windows-domein): Voer de naam van een Windows-domein in.

    2. User name (Gebruikersnaam): Voer een gebruikersnaam in

    3. Password (Wachtwoord): Voer een wachtwoord in

    4. Test (Testen): Voer minstens drie letters van de naam van de contactpersoon in en klik vervolgens op de knop Test (Testen)

  5. Klik op Apply (Toepassen) om de instellingen op te slaan.

Netwerkcontacten inschakelen (optioneel)

Informatie over het inschakelen van netwerkcontacten.

Inleiding

De LDAP-functie (Lightweight Directory Access Protocol) biedt toegang tot een netwerkadresboek. Gebruik de volgende secties om de functie Netwerkcontacten in te stellen.

Opmerking:

Voor compatibiliteit met de LDAP-functie moet de printer de juiste firmwareversie hebben.

Voordat u begint

Beheerders hebben de volgende informatie nodig voordat ze met het configuratieproces kunnen beginnen.

Netwerkcontacten instellen

  • Verificatievereisten voor de server

  • Pad om zoekopdracht te starten (BaseDN, zoekmap) (bijvoorbeeld o=mycompany.com)

  • Attributen voor het in overeenstemming brengen van de ingevoerde naam (bijvoorbeeld cn of samAccountName), het ophalen van het e-mailadres (bijvoorbeeld mail), en hoe de naam wordt weergegeven op het bedieningspaneel (bijvoorbeeld displayName)

Configuratie van standaard-SMTP

  • SMTP-server (bijvoorbeeld smtp.mycompany.com)

  • SMTP-poort (bijvoorbeeld 25, 587, 465)

  • Vereisten voor beveiligde verbinding (bijvoorbeeld Altijd veilige verbinding gebruiken (SSL/TLS))

  • Vereisten voor SMTP-serververificatie voor uitgaande e-mailberichten, inclusief de gebruikersnaam en het wachtwoord voor verificatie, indien van toepassing

Contactpersonen ophalen van een LDAP-server

Verkrijg adressen van een LDAP-server zodat deze beschikbaar zijn voor gebruikers van het bedieningspaneel van de printer. Deze adressen zijn beschikbaar als de gebruiker de adresboekweergave All Contacts (Alle contactpersonen) selecteert.

  1. Via de bovenste navigatietabbladen klikt u op Scan/Digital Send (Scannen/digitaal verzenden).

  2. Klik in het linkernavigatiedeelvenster op Address Book (Adresboek) of Contacts (Contactpersonen).

  3. Schakel het selectievakje Enable Network Contacts (use LDAP server) (Netwerkcontacten inschakelen (LDAP-server gebruiken)) in.

  4. Klik op Add (Toevoegen).

  5. Voer het IP-adres van de LDAP-server in het veld LDAP Server Address (Adres LDAP-server) in. Als de naam van de LDAP-server niet bekend is, klikt u op Auto Find (Automatisch zoeken) voor een lijst met beschikbare LDAP-servers. Selecteer de te gebruiken LDAP-server en klik vervolgens op OK.

    Opmerking:

    Als de te LDAP-server die u wilt gebruiken zich niet in deze lijst bevindt, vraagt u de beheerder welk netwerkadres en welke kenmerkcodes u moet gebruiken.

  6. Om een veilige verbinding (SSL) te gebruiken, schakelt u het selectievakje Use a secure connection (SSL) (Veilige verbinding (SSL) gebruiken) in.

  7. Als de LDAP-server vraagt om verificatie, selecteert u het desbetreffende soort verificatie voor de LDAP-server in het gebied Server Authentication Requirements (Verificatievereisten voor server). Afhankelijk van het soort verificatie zijn enkele van de overige velden in dit gebied mogelijk niet beschikbaar omdat ze niet vereist zijn. Voer de gegevens in de vereiste velden in. Gebruik exact dezelfde namen als in de instellingen voor de LDAP-server.

    Opmerking:

    Voor individuele gebruikers die zich aanmelden met Windows-aanmeldgegevens, selecteert u de optie om deze aanmeldgegevens te gebruiken voor de LDAP-serververificatie.

    Soorten verificatie voor communicatie tussen de printer en de LDAP-server

    Soort verificatie

    Omschrijving

    Server does not require authentication (Server vraagt niet om verificatie)

    De server heeft geen aanmeldgegevens van de gebruiker nodig om toegang te krijgen tot de LDAP-database.

    De optie om de aanmeldgegevens van de MFP-gebruiker te gebruiken is niet beschikbaar.

    Server requires authentication (Server vraagt om verificatie)

    Gebruik aanmeldgegevens van de gebruiker om verbinding te maken na aanmelding op het bedieningspaneel van de printer.

    Windows Negotiated (SPNEGO) (Vastgestelde Windows (SPNEGO)):

    De server vraagt om aanmeldgegevens van de gebruiker voor toegang tot de LDAP-database en codeert wachtwoorden en aanmeldgegevens die via het netwerk worden verzonden.

    Het veld voor het domein en de optie voor het gebruik van de aanmeldgegevens van de MFP-gebruiker zijn ingeschakeld.

    Simple Credentials (Eenvoudige aanmeldgegevens):

    De server vraagt om aanmeldgegevens van de gebruiker voor toegang tot de LDAP-database, maar het wachtwoord wordt ongecodeerd over het netwerk verzonden.

    De velden voor de gebruikersnaam en het wachtwoord zijn ingeschakeld.

  8. Klik in het gebied LDAP Database Search Settings (Zoekinstellingen LDAP-database) op Auto Find (Automatisch zoeken) om te bladeren naar het punt vanaf waar de database moet worden doorzocht.

    Opmerking:

    Standaard worden Active Directory-kenmerken gebruikt. Als deze kenmerken niet werken, probeert u de optie Use Custom Attributes (Aangepaste kenmerken gebruiken) en klikt u vervolgens op de knop Auto Find (Automatisch zoeken) om de juiste kenmerken te vinden.

  9. Selecteer de desbetreffende optie voor Source for Attribute Names (Bron voor kenmerknamen). De velden voor kenmerken worden automatisch ingevuld.

  10. Test in het gebied Test for LDAP Retrieval (Ophalen via LDAP testen) het ophalen via LDAP door een deel van een kenmerkwaarde in te voeren, zoals een deel van de naam van de ontvanger, en vervolgens op Test (Testen) te klikken. Voer minstens drie tekens in.

De op de printer opgeslagen contactpersonen instellen

Gebruik de knop Import (Importeren) om een lange lijst met veelgebruikte contactpersonen in één keer op de printer laden, in plaats van deze één voor één toe te voegen.

Om contactpersonen op meer dan één printer op te slaan, kunt u deze het best op één printer invoeren, eventueel bewerkingen in de lijst uitvoeren en vervolgens de knoppen Import (Importeren) en Export All (Alles exporteren) gebruiken om de adressen ook naar andere printers over te brengen.

Adresboektaken

Informatie over het uitvoeren van adresboektaken.

Voeg een contactpersoon of groep toe door op Add Contact (Contactpersoon toevoegen) of Add Group (Groep toevoegen) te klikken. Hiermee wordt de pagina Add Contact (Contactpersoon toevoegen) of Add Group (Groep toevoegen) geopend.

Een contactpersoon toevoegen

Gebruik de volgende stappen om een contactpersoon toe te voegen.

  1. Klik op Add Contact (Contactpersoon toevoegen). De pagina Add Contact (Contactpersoon toevoegen) wordt weergegeven.

  2. Vul de volgende velden in:

    • Contact Name (Naam contactpersoon) of Display Name (Weergavenaam): Voer de naam van een contactpersoon in (vereist)

    • First Name: (Voornaam:) Voer een voornaam in (optioneel)

    • Last Name: (Achternaam:) Voer een achternaam in (optioneel)

    • Phone Number: (Telefoonnummer:) Voer een telefoonnummer in (optioneel)

    • Fax Number: (Faxnummer:) Voer het faxnummer in (kan vereist zijn)

    • E-mail Address: (E-mailadres:) Voer een e-mailadres in (kan vereist zijn)

    Opmerking:

    Bij een contactpersoon moeten een e-mailadres, faxnummer of netwerkmap worden ingevoerd.

  3. Als u een netwerkmap voor scannen/digitaal verzenden gebruikt, selecteert u in de vervolgkeuzelijst Network Folder (Netwerkmap) Standard shared folder (Standaard gedeelde map) en voegt u vervolgens als volgt het UNC-pad naar de map toe in het veld UNC Folder Path (UNC-mappad): \\host\share.

    • Standard shared folder (Standaard gedeelde map)

    • FTP folder (FTP-map)

  4. Klik op de knop OK om de nieuwe contactpersoon op de printer op te slaan.

Een groep toevoegen

Gebruik de volgende stappen om een groep toe te voegen.

  1. Klik op Add Group (Groep toevoegen). De pagina Add Group (Groep toevoegen) wordt weergegeven.

  2. Een e-mailgroep toevoegen:

    1. Selecteer Add Email Group (E-mailgroep toevoegen).

    2. Voer in het veld Group Name (Groepsnaam) of Display Name (Weergavenaam) een naam voor de nieuwe groep in.

    3. Om een groepslid toe te voegen, voert u in het veld Add Member (Lid toevoegen) zijn/haar e-mailadres in of voegt u hem/haar uit een adresboek toe.

  3. Een mapgroep toevoegen:

    1. Selecteer Add Folder Group (Mapgroep toevoegen).

    2. Voer in het veld Group Name (Groepsnaam) een naam voor de nieuwe groep in.

    3. Voeg de mappen uit een adresboek toe.

  4. Nadat u alle gewenste leden aan de groep hebt toegevoegd, klikt u op de knop OK om de groep op te slaan.

Een contactpersoon of groep bewerken

Gebruik de volgende stappen om een contactpersoon of groep te bewerken.

  1. Selecteer de contactpersoon of groep die u wilt bewerken. Voer een naam in het zoekveld in om naar een specifieke contactpersoon te zoeken.

  2. Klik op de knop Edit (Bewerken).

  3. Breng de nodige wijzigingen aan in de contactpersoon of groep.

  4. Klik op de knop OK om uw bewerkingen op te slaan.

Een contactpersoon of groep verwijderen

Gebruik de volgende stappen om een contactpersoon of groep te verwijderen.

  1. Selecteer de contactpersoon of groep die u wilt verwijderen. Voer een naam in het zoekveld in om naar een specifieke contactpersoon of groep te zoeken.

  2. Klik op de knop Delete (Verwijderen).

  3. Op de pagina die wordt weergegeven, wordt u gevraagd te bevestigen dat u de geselecteerde contactpersoon of groep wilt verwijderen. Zodra een contactpersoon of groep is verwijderd, kunt u deze op geen enkele manier meer herstellen. Klik op OK om uw selectie te bevestigen. De contactpersoon of groep is verwijderd.

Een adresboek importeren of exporteren

Gebruik deze pagina om een adresboek en gebruikersinformatie te importeren en exporteren naar en vanuit de printer.

Wanneer gegevens op de printer worden geïmporteerd, worden nieuwe contactpersonen, faxsnelkiesnummers of gebruikersaccounts toegevoegd, zodat u vanaf deze printer toegang hebt tot deze gegevens. Op deze manier kunt u gemakkelijk beginlijsten maken of kunt u de HP printer actueel houden met de meest recente gegevenswijzigingen.

Bij het exporteren van records worden e‑mail-, fax- of gebruikersrecords van de printer opgeslagen in een bestand op een computer. Dat bestand kunt u als back-up gebruiken of gebruiken om de gegevens naar een andere HP printer te kopiëren.

Adresboek importeren

Om gegevens uit een adresboek te importeren, maakt u eerst een door komma's gescheiden bestand (CSV-indeling). De CSV-indeling is een gangbare bestandsindeling die vaak wordt gebruikt voor het overbrengen van gegevens tussen databaseprogramma's en printers.

Dit bestand kan worden gemaakt met een spreadsheetprogramma zoals Microsoft Excel of een tekstprogramma zoals Microsoft Notepad. Zorg ervoor dat u het bestand, nadat u dit hebt gemaakt, opslaat of exporteert als CSV-bestandstype. U kunt ook een gegevensbestand maken door contactpersonen vanuit Microsoft Outlook of een andere e‑mailclient te exporteren en dit op te slaan als een CSV-bestand.

Opmerking:

Om u te helpen bij het maken of importeren van een CSV-bestand, kunt u ook een bestaand adresboek exporteren en dit gebruiken als sjabloon.

Een adresboek importeren

Gebruik de volgende stappen om een adresboek te importeren.

  1. Maak een gegevensbestand met in de kopregel de kolommen die voor uw gegevens zijn vereist. De volgende kolommen kunnen worden gebruikt:

    • name (of "first name" en "last name")

    • address (of "emailaddress", "email", "email address", "e-mail" of "e-mail address")

    • dlname

    • faxnumber (of "business fax", "home fax" of "other fax")

    • speeddial

    • code

    • pin

    De kopregel is de eerste regel van de spreadsheet of het bestand.

  2. Voeg na de kopregel regels toe die een adresboek of gebruikersrecord bevatten. Raadpleeg het gedeelte Required data and record limits (Verplichte gegevens en limieten voor records) hierna om te zien welke kolommen vereist zijn voor elk soort record.

    Lege kolommen zijn toegestaan. Als u een tekstimportbestand maakt, voegt u een komma in voor elk leeg veld.

    Als de gegevens in het veld een komma, een regeleinde (\r) of een nieuwe regel (\n) bevatten, moeten de gegevens in dat veld worden omgeven door aanhalingstekens, bijvoorbeeld:

    "Jansen, Jan"

    Velden die dubbele aanhalingstekens bevatten, moeten worden omgeven door dubbele aanhalingstekens. Alle afzonderlijke dubbele aanhalingstekens moeten worden weergegeven door een paar dubbele aanhalingstekens.

    Als u Excel gebruikt om het importbestand te maken, voert u geen aanhalingstekens in, omdat Excel deze al automatisch invoegt wanneer het bestand wordt geconverteerd naar een CSV-bestand.

  3. Sla het importbestand op.

    Als u het bestand in Excel hebt gemaakt, selecteert u in het menu File (Bestand) Save As (Opslaan als) en selecteert u vervolgens in de vervolgkeuzelijst Save as type (Opslaan als) de optie .CSV (gescheiden door lijstscheidingsteken)(*.csv).

    Als u een tekstbestand hebt gemaakt, selecteert u in het menu File (Bestand) Save As (Opslaan als) en voert u vervolgens .csv in plaats van de bestandsextensie .txt in.

  4. Als u het bronbestand naar de printer wilt importeren, klikt u onder Contacts Stored on the Device (Op het apparaat opgeslagen contactpersonen) op de knop Import (Importeren) en vervolgens op de knop Browse... (Bladeren...) om naar het brongegevensbestand te bladeren. Als het bestand is gecodeerd, voert u de coderingssleutel in.

  5. Klik op Import (Importeren) om het gegevensbestand naar de printer te importeren. Afhankelijk van de netwerksnelheid duurt het importproces ongeveer 1 minuut voor elke 1000 records.

    Wanneer het importproces is voltooid, wordt er een bericht weergegeven met het aantal geïmporteerde records en of er zich importfouten hebben voorgedaan.

Vereiste gegevens en limieten voor records

Controleer de gegevens en limieten voor records voor elk soort record.

Vereiste gegevens en limieten voor records

Soort record

Vereiste gegevens

Maximale veldlengte

E-mailadres

name (of "first name" en "last name")

address1

64 Unicode-tekens

256 Unicode-tekens

Gebruikersrecord

name

pin

address1

245 tekens

4-8 cijfers

255 tekens

E-maildistributielijst

name

address1

dlname

64 Unicode-tekens

256 Unicode-tekens

64 Unicode-tekens2

Faxnummer

name

faxnumber1

64 Unicode-tekens

80 Unicode-tekens

Faxsnelkiesnummer

faxnumber1

speeddial2

code2

80 Unicode-tekens

64 Unicode-tekens

2 cijfers

Maximaal 100 snelkiesnummers, elk met een maximum van 100 vermeldingen

1 U kunt het veld "address" ook "emailaddress", "email", "email address", "e-mail" of "e-mail address" noemen. U kunt het veld "faxnumber" ook "business fax", "home fax" of "other fax" noemen.

2 Het veld "speeddial" bevat de naam van het snelkiesnummer, bijvoorbeeld "Johnson Janitorial" en het veld "code" bevat de snelkiescode (een nummer tussen 0 en 99), bijvoorbeeld 08. Zowel één- als tweecijferige nummers worden geaccepteerd; u kunt bijvoorbeeld 06 of 6 gebruiken.

Een importbestand maken met Microsoft Outlook

Als er contactpersonen in Microsoft Outlook zijn opgeslagen, exporteert u deze naar een CSV-bestand en gebruikt u vervolgens dit bestand om ze te importeren naar de printer.

  1. Selecteer in het menu File (Bestand) van Outlook de optie Import (Importeren) en Export... (Exporteren...).

  2. Selecteer in de Import and Export Wizard (Wizard Importeren en exporteren) de optie Export (Exporteren) naar een bestand en klik vervolgens op Next (Volgende).

  3. Selecteer Comma Separated Values (DOS) (Door lijstscheidingstekens gescheiden waarden (CSV)) en klik vervolgens op Next (Volgende).

  4. Selecteer de map Contacts (Contactpersonen) en klik vervolgens op Next (Volgende).

  5. Voer een naam voor het bestand in, met een .CSV-extensie. Klik op Browse (Bladeren) om de locatie te kiezen waar u het bestand op de computer wilt opslaan. Klik op Next (Volgende).

  6. Klik op Finish (Voltooien) om de wizard te voltooien en het bestand te exporteren.

  7. Als u het CSV-bestand op de printer wilt importeren, voert u stap 4 en 5 uit van Een adresboek importeren.

Een adresboek exporteren

Het adresboek of de gebruikersgegevens die op de printer zijn opgeslagen, kunnen worden geëxporteerd naar een CSV-bestand met het formaat van één kopregel gevolgd door een regel voor elke gebruiker of record uit het adresboek.

Open het exportbestand in een spreadsheetprogramma zoals Microsoft Excel of in een tekstprogramma zoals Kladblok.

  1. Klik op de knop Export All... (Alles exporteren...).

  2. Schakel de selectievakjes in naast de objecten die u wilt exporteren. Als het bestand is gecodeerd, voert u de coderingssleutel in. De volgende mogelijkheden zijn beschikbaar:

    • Address Books (Adresboeken)

    • Fax Speed Dials (Faxsnelkiesnummers)

    • User Access Code List (Lijst met gebruikerstoegangscodes)

  3. Klik op de knop Export (Exporteren).

  4. Klik op de knop Save File (Bestand opslaan).

  5. Klik in het dialoogvenster dat wordt weergegeven, op Opslaan. Selecteer vervolgens de locatie waar het bestand moet worden opgeslagen.


hp-feedback-input-portlet

Acties
Bezig met laden...

hp-feedback-banner-portlet

Acties
Bezig met laden...

hp-country-locator-portlet

Acties
Bezig met laden...
Land/regio: Flag Nederland

hp-detect-load-my-device-portlet

Acties
Bezig met laden...